EG Verordening

Rijkswaterstaat

VERORDENING (EG)    nr. 1194/2012    van de commissie van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor gerichte lampen, led lampen en gerelateerde uitrusting betreft.

 

Voor de verordening gelden de volgende definities:

a) „lichtstroom” (Φ): een grootheid die van de stralingsstroom (stralingsenergie) wordt afgeleid door de straling te beoordelen op basis van de spectrale gevoeligheid van het menselijk oog. Zonder nadere specificaties verwijst deze term naar de aanvankelijke lichtstroom;

b) „aanvankelijke lichtstroom”: de lichtstroom van een lamp na een korte gebruiksperiode;

c) „nuttige lichtstroom” (Φ use ): het deel van de lichtstroom van een lamp dat binnen de lichtkegel valt en wordt gebruikt om de energie-efficiëntie van de lamp te berekenen.

d) „lichtsterkte” (candela of cd): het quotiënt van de lichtstroom die de bron verlaat en verspreid wordt binnen de ruimtehoek die deze richting omvat, gedeeld door de ruimtehoek;

e) „hoek van de lichtbundel”: de hoek tussen twee denkbeeldige lijnen in een vlak door de as van de optische bundel, zodat deze lijnen door het midden van het voorvlak van de lamp gaan en door punten waarop de lichtsterkte 50 % is van de lichtsterkte in het midden van de bundel, waarbij de sterkte in het midden van de bundel gelijk is aan de lichtsterkte die op de as van de optische bundel wordt gemeten;

f) „kleurtoon”: de eigenschap van een kleurprikkel die wordt bepaald door zijn kleurcoördinaten dan wel door zijn overheersende of complementaire golflengte en zuiverheid samen;

g) „toegevoegd kleurtemperatuur” (Tc [K]): temperatuur van een zwarte straler waarvan de waargenomen kleur het meest lijkt op die van een bepaalde prikkel bij dezelfde helderheid en onder gespecificeerde waarnemingsomstandigheden;

h) „kleurweergave” (Ra): het effect van een lichtbron op de kleurverschijning van voorwerpen bij al dan niet bewuste vergelijking met de kleurverschijning ervan onder een referentielichtbron;

i) „kleurconsistentie”: de maximale afwijking van de kleurtooncoördinaten (x en y) van een enkele lamp van een kleurtoonmiddelpunt (cx en cy), uitgedrukt als de omvang (in stappen) van de MacAdam-ellips rond het kleurtoonmiddelpunt (cx en cy);

j) „lumenbehoudsfactor van de lamp” (LLMF): de verhouding tussen de lichtstroom die een lamp op een bepaald moment tijdens haar levensduur afgeeft en de aanvankelijke lichtstroom;

k) „lampoverlevingsfactor” (LSF): het bepaalde deel van het totale aantal lampen dat gedurende een bepaalde tijd blijft werken, onder bepaalde omstandigheden en bij wisselende schakelfrequenties;

l) „levensduur van de lamp”: de werkingsperiode waarna het deel van het totale aantal lampen dat blijft werken overeenstemt met de lampoverlevingsfactor onder bepaalde omstandigheden en bij wisselende schakelfrequenties. Voor ledlampen verwijst de levensduur van de lamp naar de gebruiksperiode tussen de start van het gebruik en het tijdstip dat slechts 50 % van het totale aantal geleverde lampen overleeft of het gemiddelde lumenbehoud van het totale aantal lampen onder 70 %, valt, naargelang van wat het eerst gebeurt;

m) „ontbrandingstijd van de lamp”: de tijd die een lamp, na inschakeling van de netspanning, nodig heeft om volledig te ontbranden en te blijven branden;

n) „opwarmingstijd van de lamp”: de tijd die een lamp na ontbranding nodig heeft om een bepaald deel van haar gestabiliseerde lichtstroom af te geven;

o) „vermogensfactor”: de verhouding tussen de absolute waarde van het werkzaam vermogen en het schijnbaar vermogen onder periodieke omstandigheden;

p) „kwikgehalte van de lamp”: de hoeveelheid kwik in de lamp;

q) „opgegeven waarde”: de kwantitatieve waarde die wordt gebruikt voor specificatiedoeleinden en die wordt vastgesteld bij welbepaalde bedrijfsomstandigheden van een product. Tenzij anders vermeld, worden alle eisen uitgedrukt in opgegeven waarden;

r) „nominale waarde”: een kwantitatieve waarde die wordt gebruikt om een product aan te duiden of te identificeren;

s) „niet-belaste toestand”: de toestand van een voorschakelapparaat van de lamp wanneer dit op de voeding is aangesloten en waarbij de output in normale werkingsomstandigheden met behulp van de voor dit doel bestemde schakelaar ontkoppeld is van alle primaire belastingen (een defecte of ontbrekende lamp of de ontkoppeling van de belasting door middel van een veiligheidsschakelaar wordt niet als normale werkingsomstandigheden beschouwd);

t) „stand-by-toestand”: de toestand van het voorschakelapparaat van een lamp waarbij de lampen zijn uitgeschakeld met behulp van een bedieningssignaal onder normale werkingsomstandigheden. De term wordt gebruikt voor voorschakelapparaten van lampen met een ingebouwde schakelfunctie die bij normaal gebruik blijvend aan de stroomvoorziening zijn aangesloten;

u) „bedieningssignaal”: een analoog of digitaal signaal dat wordt uitgezonden door het voorschakelapparaat, draadloos dan wel met draad, hetzij via spanningsmodulatie in afzonderlijke bedieningskabels hetzij via een gemoduleerd signaal in de voedingsspanning;

v) „stand-by-vermogen”: het vermogen dat wordt verbruikt door het voorschakelapparaat in stand-by-toestand;

w) „vermogen in niet-belaste toestand”: het vermogen dat door het voorschakelapparaat van de lamp wordt verbruikt in niet- belaste toestand;

x) „schakelcyclus”: de volgorde van het in- en uitschakelen van de lamp met bepaalde tussenpozen;

y) „voortijdig defect”: defect waarbij een lamp het einde van haar levensduur bereikt na een werkingsperiode die korter is dan de in de technische documentatie opgegeven levensduur;

z) „antiverblindingsscherm”: een mechanisch of optisch ondoorzichtig schot, al dan niet reflecterend, dat ontworpen is om directe zichtbare straling afkomstig van een lichtbron van een gerichte lamp tegen te houden, ter voorkoming van tijdelijke gedeeltelijke blindheid (storende verblinding) bij personen die rechtstreeks in de lichtbron kijken. Deze term verwijst niet naar deklagen op het oppervlak van de lichtbron in gerichte lampen;

aa) „verenigbaarheid”: houdt in dat wanneer een product bedoeld is om in een installatie te worden geïnstalleerd, in een ander product te worden ingebracht of ermee te worden verbonden door een fysiek contact of een draadloze verbinding,

i) het mogelijk is die installatie, inbrenging of verbinding uit te voeren, en

ii) eindgebruikers kort na begonnen te zijn beide samen te gebruiken er niet toe worden gebracht te geloven dat één van de desbetreffende producten een defect heeft, en

iii) het veiligheidsrisico van het gezamenlijk gebruiken van de producten niet hoger is dan wanneer diezelfde producten afzonderlijk worden gebruikt in combinatie met andere producten.

Aanvullende vermelding:

Overeenkomstig tabel 5 van de verordening geldt voor niet-gerichte en gerichte ledlampen dat de lampoverlevingsfactor bij 6.000 uur groter dan wel gelijk aan 90%  dient te zijn en het lumenbehoud groter of gelijk aan 80%.

Wat betreft kleurweergave geldt de verordening grote of gelijk aan 65 Ra dient te zijn voor gebruik buitenshuis of in industriële toepassingen overeenkomstig punt 3.1.3 van de verordening.  In andere gevallen dient aan de waarde van minimaal 80 Ra te worden voldaan.